Noors staatsfonds overweegt investering in grote defensiebedrijven
Posted by managing21 on november 14th, 2025
Getroffen door de oorlog in Oekraïne en de wisselende uitspraken van de Amerikaanse president Donald Trump over de verdediging van Europa, overweegt Noorwegen om zijn staatsfonds (Oljefondet) van 2,1 biljoen dollar – het grootste ter wereld – vanaf 2027 opnieuw te laten investeren in grote defensiebedrijven. Daarmee zou een einde komen aan een verbod dat meer dan twintig jaar van kracht was. Noorwegen, een land met 5,6 miljoen inwoners, is geen deel van de Europese Unie en deelt een grens met Rusland in het Arctische gebied.
Een dergelijke wijziging zou het fonds in staat stellen belangen te nemen in veertien defensiebedrijven met een gezamenlijke beurswaarde van ongeveer 1 biljoen dollar. Momenteel mag het fonds daar niet in investeren vanwege ethische richtlijnen, omdat de bedrijven onderdelen produceren voor kernwapens. Op 4 november stemde het Noorse parlement in met een herziening van de ethische richtlijnen, die sinds 2004 gelden.
De bedrijven die mogelijk weer toegankelijk worden voor het fonds zijn Lockheed Martin, Boeing, Airbus, BAE Systems, Safran, Thales, BWX Technologies, Northrop Grumman, Fluor, General Dynamics, Huntington Ingalls Industries, Jacobs Solutions, L3Harris Technologies en Larsen & Toubro.
Aandelen van defensiebedrijven, ooit gemeden door beleggers die zich door duurzame doelstellingen lieten leiden, worden inmiddels breder geaccepteerd omdat Rusland de oorlog in Oekraïne voortzet en Europese landen hun uitgaven voor landsverdediging verhogen onder druk van regering van de Amerikaanse president Donald Trump. De veranderde veiligheidscontext maakt defensiebedrijven bovendien tot potentieel lucratieve investeringen.
“Vrijheid is belangrijker dan duurzaamheid,” beklemtoonde Knut Kjaer, tussen 1998 en 2007 de eerste directeur van het Oljefondet. “Europa moet zichzelf kunnen verdedigen tegen Russische agressie. Waarom zouden we niet investeren in wapens? Noorwegen koopt zelf wapens van dezelfde bedrijven waarin het fonds niet mag investeren.”
Een aanpassing van de richtlijnen zou ertoe kunnen leiden dat ook andere investeerders die zich op duurzaamheid toespitsen, hun koers wijzigen, net zoals in 2016 gebeurde toen het Oljefondet besloot niet langer te werken met bedrijven die 30 procent van hun omzet uit steenkool halen. Inmiddels benoemde het Noorse ministerie van financiën een commissie die de richtlijnen moet herzien. Die commissie komt in oktober 2026 met aanbevelingen, waarover het parlement in juni 2027 zal stemmen.
Dilemma
Net zoals Kjaer wijst ook de Noorse regering erop zelf al een directe klant te zijn van een aantal van deze defensiebedrijven. “Enerzijds vinden we het ethisch aanvaardbaar grote bedragen aan defensiebedrijven te betalen, maar anderzijds zouden we het onethisch vinden om veel kleinere bedragen aan rendement uit diezelfde bedrijven te ontvangen,” zei Jens Stoltenberg, Noors minister van financiën Jens Stoltenberg en voormalig topman van de Navo, eind vorige maand in het Noorse parlement.
In het mandaat van de commissie benadrukt het ministerie een dilemma. Noorwegen koopt gevechtsvliegtuigen van Lockheed en fregatten van BAE Systems, maar besloot twintig jaar geleden dat het Oljefondet niet in deze bedrijven mocht beleggen. “Sindsdien zijn zowel de betrokkenheid van deze bedrijven bij wapenproductie als de veiligheidssituatie veranderd”, voeren woordvoerders van de Noorse regering aan. “Kernwapens vormen een fundamenteel onderdeel van de afschrikstrategie van de Navo, waarvan Noorwegen deel uitmaakt.”
De Noorse minderheidsregering van Labour kan rekenen op voldoende steun in het parlement voor een aanpassing van de richtlijnen. “We kunnen kernwapens afkeuren, maar ze maken deel uit van de strategie van de Navo en wij zijn lid van dat samenwerkingsverband”, benadrukte Hans Andreas Limi, fractieleider van de oppositiepartij Fremskrittspartiet. “Het is dus moeilijk de logica te zien van een investeringsverbod. Ook Ine Eriksen Soereide, leider van de conservatieve partij Høyre, pleitte eerder dit jaar al voor een dergelijke verandering.
Niet iedereen vindt echter dat een fonds om welvaart voor toekomstige generaties Noren veilig te stellen, zou moeten investeren in bedrijven die bijdragen aan de productie van massavernietigingswapens.
“We hebben gehoord dat het paradoxaal zou zijn dat Noorwegen niet mag investeren in bedrijven waarmee we verder gewoon handel drijven,” gaf Kirsti Bergstø, leider van de Socialistische Linkse Partij, vorige maand in de Noorse parlement aan. “Maar is dat echt zo? Is er werkelijk geen groot verschil tussen het kopen van materieel dat ons land nodig heeft en bijvoorbeeld investeren in kernwapens?”
Binnen het Oljefondet doet een ethische raad aanbevelingen over aandelen waarin niet zou mogen worden belegd. Ola Mestad, tussen 2010 en 2014 voorzitter van de ethische raad, stelt dat de richtlijnen moeten worden aangepast aan de geopolitieke realiteit. “We moeten in staat zijn de ethische richtlijnen zo te herzien dat ze erkennen dat we ons in een periode vóór een oorlog bevinden, of tussen twee oorlogen”, beklemtoonde Mestad. “De uitsluitingen van wapens moeten op een andere manier worden bekeken.”
Volgens analisten betekent dit gegeven ook dat Noorwegen voorzichtiger moet zijn bij beslissingen om internationale bedrijven uit te sluiten, omdat de gevolgen daarvan nu schadelijker kunnen zijn. Recent besloot het parlement dergelijke desinvesteringen tijdelijk op te schorten. “In een nieuwe realiteit van meer gepolitiseerde markten moeten we alerter zijn op het risico dat we worden verwaterd, dat kapitaalcontroles worden ingevoerd, dat onze activa worden geconfisqueerd of dat ze worden ingezet in een financiële wapenwedloop, waardoor we misschien honderd jaar moeten wachten op ons rendement,” betoogde Kjaer.
Ongeveer 52,4 procent van de activa van het fonds – ongeveer 1 biljoen dollar – is belegd in de Verenigde Staten, verspreid over aandelen, obligaties en vastgoed. In september liet het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken weten bijzonder verontrust te zijn over het besluit van het Oljefondet om uit Caterpillar te stappen vanwege het gebruik van materieel van de onderneming door Israëlische autoriteiten in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever.